Inspiratie

Zodra je er met je hond op uit gaat, komt de wereld je tegemoet. Je ontmoet gemakkelijk andere mensen en vaak is dat aanleiding voor een leuk gesprek. Ik heb ervaren dat mensen erg open zijn tijdens de wandeling. Je krijgt verhalen over interessante, boeiende, trieste, humoristische en alledaagse onderwerpen. Het is één grote inspiratiebron.

Van de verschillende verhalen die ik in de loop der tijd heb gehoord, heb ik nieuwe gemaakt. De soms in poëtische en humoristische anekdotes zijn niet meer tot één persoon of hond te herleiden. Dus wanneer u zichzelf, uw belevenissen of uw hond meent te herkennen, heeft u het bij het verkeerde eind.

Laatst liep iemand zonder hond met mij mee. Ze was verbaasd over alle vriendelijke begroetingen en korte ontmoetingen tijden de wandeling. Ze sprak vanuit haar hart toen ze zei: ‘Eén ding is zeker: alles is leuker met een hond!’

Eén ding is zeker, “Alles is leuker met een hond.”

Margriet Bordes
Schrijfster van het boek : Alles is leuker met de hond

Walking a dog

Elke dag hetzelfde

Elke dag begint met een ochtendwandeling met mijn honden, same time, same place. Ik zie als eerste de oude meneer met zijn fiets. Hij zet zijn Batavus tegen een boom, sjort zijn trainingsbroek te hoog op en loopt naar het bankje. Hij drukt zich twintig keer op. Groet mij vriendelijk en pakt vervolgens al hijgend zijn fiets om naar het volgende bankje te gaan en weer twintig push-ups te doen. Ik kom hem meerdere malen tegen als hij zo het hele park afwerkt. Daar is de meneer met de witte pet. Hij is laat vandaag. Hij komt de meneer van het bankje pas bij de derde serie oefeningen tegen.

Het is tijd voor de mevrouw met de twee boxers. Gelukkig, vandaag loopt mevrouw in plaats van meneer. Meneer is altijd zo nors. Hij snauwt binnensmonds ‘mogge’, alsof hij het de dag kwalijk neemt dat hij al is begonnen. En hij kijkt daarbij zo woest naar andere honden dat je zou denken dat die ter plekke een wrede dood zouden moeten sterven. Maar deze ochtend heb ik geluk. Mevrouw ziet me, glimlacht en zegt zoals altijd blij van zin: ‘Goedemorgen, daar gaan we weer, fijne dag!’ Ik zie de jongen op de fiets, hard sjezend op het fietspad. ‘Hallo! Weertje hè!’ Vanwege het ontbreken van een andere tekst moet elk weertype het hiermee doen. T-shirt aan, zwarte broek. Weer of geen weer. Knalroze plastic fietstas. Altijd haastig, vrolijk en een beetje mal.

En daar fietst aan het einde van het pad de grijze dame met twee hondjes die met haar meerennen. Mandje voorop voor de kleinste van de twee. Aan het einde van de wandeling moet het ukje daarin. En elke ochtend gebeurt hetzelfde. Zodra ze stopt om de grootste hond aan te lijnen, neemt de kleine de benen. ‘Gek!’ zal ze zeggen terwijl ze een verontschuldigende grimas toont. ‘Ze wil niet komen, ze is vandaag een beetje dwars.’

Wat is het heerlijk om de dag zo voorspelbaar te beginnen, elke dag weer op dezelfde manier.

De jas

O nee, niet nu. Alsjeblieft! Niet op deze morgen. Ik wil vandaag alleen zijn met mijn gedachten. Ik wil met niemand hoeven praten, ik wil alleen de wind in mijn haren voelen. Ach lieve hemel, daar komt ze al. Er is geen ontkomen aan.’Ooooooh! Wat heeft u een mooie jas aan! En zo lekker warm! Ik had ook zo’n jas vorig jaar, maar er zat na een maand een scheur in en toen heb ik hem teruggebracht en… ‘ Ik zucht, ik weet precies wat er komen zal. Ze kreeg een nieuwe jas. Maar niet precies dezelfde. Niet hetzelfde model, niet helemaal dezelfde kleur. Hoewel ze haar dat wel hadden beloofd. Als ze me dit heeft verteld, zal ze mijn jas vluchtig aanraken en zeggen: ‘Die van u is toch wel de allermooiste! Zo zacht en precies mijn kleur. Mag ik vragen waar u die heeft gekocht?’ Ik heb het allemaal al tien keer, nee, honderd keer gehoord en ik heb haar al evenzoveel malen verteld waar ik mijn jas heb gekocht.

Deze ochtend kan ik haar niet aan. Ik wil haar ontlopen, maar waar kan ik heen? Ik ben al voorbij de afslag, ik kan alleen omkeren en terug naar huis gaan. Maar dat doe ik niet. Niet voor haar. Dat is mijn eer te na. Ze is vlakbij en wil mijn mouw al pakken om te voelen hoe lekker zacht hij aanvoelt. Op dat moment krijg ik een idee. Ik doe alsof mijn telefoon gaat. ‘Hoi lief! Wat fijn dat je belt, hoe is het?’ Mijn fictieve minnaar krijgt alle aandacht. ‘Ja, ja, ach echt? Ja, ja, ik luister, vertel maar, begin bij het begin, niet zo chaotisch, ik snap er niets van… ‘ Ik gebaar intussen schouderophalend, verontschuldigend en grimassend naar de mevrouw van de jas, waardoor het duidelijk wordt dat dit wel even kan duren. Ze raakt me niet aan, het is gelukt! Ze loopt door. Haar jassen-roman gaat die ochtend aan mij voorbij. Wat een truc!

Ik hang tegen een boom aan met de uiterst stille aanbidder aan mijn oor. Ik kijk naar de wuivende bomen, de eenden in het water. Ik hoef met niemand te praten, ik voel de wind in mijn haren.

Pas als ik haar niet meer zie vervolg ik mijn wandeling.

Ik voel me schuldig en zeer voldaan.

Oude dame, oude hond

Ze staat langs de waterkant in het ochtendlicht. Achter haar doemt een mistige zon op. Het water spiegelt haar zonder enige rimpeling. Ze kan zo in een reclamespot voor een crème, met dat zachte licht op haar korte grijze haren.

Eerst denk ik dat ze op mij wacht. Maar dan zie ik haar hondje. Een kruising tussen een Jack Russell Terriër en een Spaniël lijkt het wel. Spits koppie, rood-bruine lange vacht. Langzaam wandelt het beestje naar zijn vrouwtje. De dame lacht naar me. ‘We gaan niet meer zo snel, hij en ik; de tijd dat we de horden namen is voorbij.’ Ik ben verbaasd over haar heldere stem. Ze aait het beestje dat haar inmiddels heeft bereikt. Dan ziet ze mijn zwarte krulhonden. ‘Mooie honden heeft u. Nog jong?’

Mijn antwoord is volstrekt onbelangrijk, want ze vervolgt meteen: ‘Die van mij is aan één van zijn laatste wandelingen toe. Hij heeft kanker.’ Ze klinkt ineens erg verdrietig en zucht. ‘Het is bijna voorbij. Ik weet niet of ik nog aan een nieuwe hond begin. Ik ben negenenzeventig, ik woon nog zelfstandig, maar ja, hoe lang nog?’

Ik wil iets zeggen, in de trant van: u kunt wel honderd worden en dat lijkt ze aan te voelen, want ze gaat rechtop staan met een fierheid waar menig vijftiger jaloers op zou zijn.

‘Nou, u ziet er nog zo kwiek uit, u zou natuurlijk best kunnen overwegen om weer aan een nieuwe hond te beginnen,’ zeg ik. ‘U kunt nog jaren mee! Wat let u eigenlijk?’ Ze lacht een beetje cynisch. ‘Ah, mijn liefhebbende kinderen weet u, mijn dochters en mijn zoon. Die willen het absoluut niet. Zij zijn als de dood dat ze op enig moment met een jonge hond worden opgescheept.’

Ze kijkt me aan. Vorsend, inschattend aan wiens kant ik sta. Ze vervolgt: ‘Ik heb mijn hele leven honden gehad. De kinderen zijn er groot mee geworden. Maar ja, nu ben ik alleen. Mijn man is gestorven en de kinderen zijn het huis uit. Ze zijn druk met werk en gezin. Mijn zoon werkt in Limburg, mijn tweede dochter in Rotterdam. En dan heb ik nog een dochter in Amerika. Die werkt niet, ze is fulltime moeder. Haar spreek ik eigenlijk nog het meeste, via Skype. Zij vindt het wel leuk als ik hierna nog een hondje neem. Tja, haal je de koekoek. Zij zit ver weg en hoeft zich nergens over te ontfermen als ik er niet meer ben. Maar de andere twee zien veel problemen.’

Ik sta versteld over deze waterval aan informatie. Kennelijk zit het haar erg hoog. Het is tijd voor argumenten. Een vrouw van negenenzeventig die zo bij de tijd is, skypet en verbaal zo sterk, die kan nog wel een hondenleven aan. ‘Maar mevrouw,’ begin ik. ‘Hoe zou het voor u zijn zonder hond? Niet meer elke dag lopen, niet meer die regelmaat. Niet meer werken aan uw conditie. Geen leuke klessies meer.’ Ik blijf even stil om alles op haar te laten inwerken. ‘Het lijkt me niets voor u om binnen te zitten. Bovendien, stel dat er iets met u gebeurt, als u van de trap afvalt of zo, dan komt er heus wel een oplossing. Als u een klein hondje neemt is er altijd wel iemand die voor hem zorgt. Desnoods regelt u dat in uw testament.’ Ik krijg een ingeving. ‘Geen hond, geen geld.’

Er zijn van die momenten dat ik erg tevreden over mezelf ben. Dit was er één van. Als niemand voor Bello zorgt: geen erfenis. De dame kijkt me aan. Ze denkt even na. Dan krijgt ze een levendige blik in haar ogen. ‘ Goh, zo had ik het nog niet gezien. Geen hond, geen geld.’

Ze aait haar kleine hondje liefdevol en groet me als ze doorloopt: ‘Tot ziens mevrouw, tot genoegen!’

Ik kijk haar peinzend na. Tot genoegen, tja… Of haar erfgenamen die visie delen?

Boem!

Het was prachtig in het bos. De regen was weggetrokken en de zon verlichtte de druipende bladeren. Ik liep met een vriendin en onze drie honden. We genoten, allemaal. Haar labrador had net een verse modderpoel ontdekt en wentelde zich daar lekker in. Mijn keurige exemplaren liepen er vrolijk blaffend omheen.

Mijn vriendin en ik hadden elkaar lang niet gesproken dus moesten we dringend bijpraten. We naderden het fietspad, dat dwars door het bos ging en dat we moesten oversteken. Maar we waren zo verdiept in ons gesprek dat we niet goed opletten. De honden joegen elkaar achterna en renden met grote vaart langs ons. Recht op dat fietspad af.

‘Moet je kijken hoe mooi ze rennen,’ zei ik trots, opzij naar mijn vriendin kijkend. Maar in plaats van een bevestiging op haar gezicht, zag ik een verstarde blik verschijnen en hoorde ik haar oerkreet: ‘Pas op!!!!!!’

Ik wendde mijn blik van haar af en keek voor me, hoorde een knal, boem! Ik zag mijn hond en een aanstormende fietser in de lucht vliegen. Mijn hond kwam eerder op de grond dan de fietser. Die laatste maakte een salto, rolde over de kop en kwam net voor een greppel tot stilstand. ‘Oooooo’, was alles wat ik uit kon brengen. Mijn hond lag verderop stil op de grond, maar kwam gelukkig vrij snel overeind en nam de benen, dieper het bos in. Als een gewond hert.

Mijn vriendin greep me bij de arm. ‘O God…’

Ik kwam bij zinnen. De man op de grond niet. Ik liep naar hem toe, pakte zijn arm om hem overeind te trekken. Hij lag in een vreemde houding op de grond. Geknakt. Temidden van allerlei spullen die uit zijn fietstas waren gevallen. Telefoon, sleutels, zakje brood, appel, plastic tasje, slippers. ‘Raak me niet aan!’ gromde hij. Ik schrok me dood van die reactie. Trok schielijk mijn arm terug. Mijn vriendin riep mijn hond, die zich inmiddels weer in de verte liet zien.

‘Ga eerst maar even naar haar toe,’ fluisterde ze. Ik liep langzaam naar het arme dier. Ze was zich rot geschrokken. Ik aaide haar, inspecteerde haar kop en zijflank. Ze leek ongedeerd. Waarschijnlijk had ze zich door de ijselijke kreet van mijn vriendin net op tijd een kwartslag gedraaid, waardoor ze met haar zijkant tegen het voorwiel aan was geknald. Was ze rechtdoor op koers gebleven, dan had haar kop een frontale aanvaring met de spaken gehad en had haar wereld en vooral haar neus er nu heel anders uitgezien.

Terug naar de grommende man. Hij zat inmiddels rechtop. ‘Even bijkomen,’ zei hij, ‘laat me even bijkomen.’ Vanzelfsprekend. ‘Doe maar rustig aan,’ mompelde ik. Intussen begon mijn vriendin de spullen bij elkaar te rapen en de fiets rechtop te zetten. Dat had direct uitwerking op de man. Hij stond ineens op zijn benen, griste alles uit haar handen, zette zijn fiets rechtop en begon alles in zijn fietstas te laden.

Mijn vriendin inspecteerde de achterkant van de fiets. Ze rommelde wat aan het spatbord. ‘Alles doet het nog wel denk ik,’ zei ze. ‘Hoe bestaat het na zo’n knal!’ ‘Ja, maar mijn kleren, moet je zien: een scheur in mijn broek, vies overhemd…’ De man klopte wat bladeren van zich af, ‘mijn enkel… zal wel verstuikt zijn… en mijn buik…een grote schaafwond…een scheur in mijn broek, een vies overhemd…’

Hij begon zijn shirt open te knopen. ‘Zou ik maar thuis doen,’ zei mijn vriendin bij een eerste stripteasepoging van de man. ‘En doe dan een beetje jodium op de schaafwonden.’ De man keek haar aan alsof ze hem een oneerbaar voorstel had gedaan. Hij liep een beetje onrustig heen en weer. ‘Heeft u hoofdpijn?’ vroeg ik. ‘Nee, maar kijk, een scheur in mijn broek, een vies overhemd…’ Hij leek onbereikbaar voor ons.

Ik was me erg bewust van mijn schuld aan dit ongeluk. Wat konden we doen voor deze gehavende man? Moest ik hem naar huis brengen, zijn werk bellen?

‘Nee, nee, niets doen, ik ga zelf naar huis, even bijkomen…’

We stonden met zijn drieën bij elkaar, we leken op een dood spoor te zijn gekomen want er gebeurde niets.

‘Zal ik u mijn naam en telefoonnummer geven zodat u mij kunt bellen als er schade blijkt te zijn?’ bood ik aan. Ik pakte een papiertje uit mijn zak en schreef alles op voor de man. Hij leek toch wel verward. ‘Mag ik ook uw telefoonnummer? Dan kan ik u bellen om te vragen hoe het gaat.’ De man leek terughoudend maar gaf uiteindelijk zijn nummer. Ik programmeerde zijn gegevens in mijn telefoon onder de naam ‘Boem’.

We stonden ongemakkelijk tegenover elkaar. Eindelijk stapte de man op zijn fiets en maakte aanstalten om weg te rijden. Toen begon mijn vriendin zenuwachtig te lachen. ‘Kijk naar het stuur, het stuur’, siste ze me toe. Ik keek, van stuur naar vriendin, naar meneer. ‘We gaan,’ zei ik ineens kordaat. ‘Als we u niet verder kunnen helpen wens ik u veel succes en als er iets is moet u me bellen!’

Ik pakte mijn vriendin bij de arm en we liepen weg. Over onze schouder zagen we hoe de man in zichzelf mompelend wegreed. ‘Wat een engerd,’ zei ik tegen mijn vriendin. Zij keek me aan en zei: ‘Eng? Die man is gek! Zag je wat er op zijn stuur zat? Twee zwart kanten slipjes en een vogelveer, wat een griezel!’

Een beetje giechelend hebben we onze wandeling afgemaakt.

Ik hoorde niets meer van de man, hij reageerde niet op mijn sms’jes en leek geen schadevergoeding te willen voor de gescheurde kleding. Mijn hond was ook weer helemaal in orde en het voorval raakte wat meer naar de achtergrond. Tot een week erna. Ik at met een collega. Ze was vol van een boek van een jonge Zweedse schrijver. ‘Prachtig boek,’ vertelde ze enthousiast, ‘spannend, vreemd en toch… alsof het je elke dag zou kunnen overkomen. Het gaat over een gestoorde crimineel die valt op zwart kanten lingerie… hij gluurt ’s avonds bij alleenstaande vrouwen naar binnen, verkracht en vermoordt ze en neemt daarna bij wijze van trofee het kanten ondergoed van zijn slachtoffers mee.’

Die avond sloot ik zeer zorgvuldig alle deuren en gordijnen. Ik liet mijn honden bij me op de kamer slapen; ik trok mijn grootste witte hema onderbroek aan en deed geen oog dicht…

Weg, verder weg

In plaats van naar het bos nemen we de honden mee de stad in. Het is een rustige regenachtige lente zondag. We maken gewapend met paraplu, een heerlijke wandeling langs de mooie grachten van Amsterdam. Als we trek krijgen en de zon zich een beetje laat zien, nemen we plaats op een dampig terras op een groot plein. Een prachtige locatie, lommerrijk, statige panden aan de ons omringende grachten.

We zijn de eerste gasten die buiten zitten en we kijken dromerig naar spelende honden en voorbijgaande fietsers.

Na een half uurtje in stilte te hebben genoten is het uit met de rust. Een groep kwetterende jonge dames komt aan een lange tafel naast ons zitten. Elf personen, grof in de mond, goed verzorgd. Net dertig schat ik in. Carrière aan het maken, het eerste kind op de wereld gezet of daarmee druk doende.

Eén van hen heeft haar zoontje bij zich. Het kind zit rustig in zijn luxe kinderwagen en mag even later rondkruipen op het omheinde terras, gadegeslagen door tien vriendelijk kijkende tantes. Zondags geluk. Lijkt het.

Er komt een keurige jongeman aan in een driedelig donker pak. De groep dames richt haar aandacht op hem. ‘Hi Anton!!’ Anton negeert in eerste instantie het schone vrouwvolk. Zijn aandacht gaat naar zijn zoontje, de kruipende blonde onderzoeker die juist een teen onder het hek doorsteekt. Daarna groet hij glimlachend de vriendinnen van zijn vrouw. Geheel volgens de etiquette van de groep waartoe ook hij behoort, baant hij zich drie keer zoenend een weg door alle topmerken en zonnebrillen op hoofd, die één voor één opstaan om de man in pak op gelijk niveau te kussen en hem iets vriendelijks toe te fluisteren.

Eén jonge dame wendt haar hoofd af van het gekus en draait de kinderwagen uit de groep. Het is duidelijk niet haar bedoeling dat donker pak bij haar vriendinnen blijft. Zij krijgt ogenblikkelijk haar zin, want donker pak tilt de kleine krullebol van de grond, knuffelt hem liefdevol en zet hem vervolgens in de kinderwagen. Een korte blik tussen de ouders van het wurm, meer niet, er wordt geen woord gewisseld. Vader en zoon vertrekken onder vrolijke kreten van de vriendinnenclub. Ze zwaaien en lachen. Alleen de moeder doet niet mee, boos pakt ze haar glas en neemt een flinke slok.

Ik heb tranen in mijn ogen. Wat een kilte tussen die jonge ouders. Wat een schaduw hangt er nu al over zijn leventje. Na het vertrek van donker pak komt de moeder weer tot leven. Ze kwettert honderd uit over Josee die getrouwd is, het feest dat tegenviel, de uitverkoop in een straat die ik niet ken, maar die nu ongetwijfeld hot is. Ze is het schoolvoorbeeld van oppervlakkigheid. Haar man en kind zijn onbelangrijk, vergeten. De kinderwagen verdwijnt in de straten van Amsterdam.

Lopen maar vader, lopen maar. Ver weg. Nog verder weg. Zorg voor je zoon, bescherm hem tegen de leegheid van moeders bestaan. Kijk niet om. Loop een andere toekomst tegemoet.

Mijn man merkt mijn emotie. Hij pakt mijn hand en troost me in stilte.

Op deze zondag, op dit Amsterdams terras koesteren zijn grijze ogen ons geluk.

Weduwe

Opeens sta ik oog in oog met haar. Sinds het overlijden van haar man heb ik haar niet meer gezien. Ze ziet er goed uit. Haar hond ook.

Eigenlijk was het zijn hond. Maar nu is het haar hond geworden. Hij brengt ritme in haar dag. Ze kan ’s morgens niet blijven liggen als ze slecht heeft geslapen. En dat is helaas aan de orde van de dag. ‘Maar het gaat steeds beter,’ zegt ze dapper,’en het is heerlijk om zoveel naar buiten te moeten. Alleen ’s avonds vind ik het niet prettig om de straat op te gaan. Maar dat went ook wel. Ik loop dan alleen een heel klein stukje.’

Ze vertelt dat ze gaat reizen. Niet met de kinderen, want ze wil niet te veel op hen leunen. Ze gunt hen hun eigen leven. Dapper mens, ruim in de tachtig. Haar eerste trip gaat naar Maleisië. Daar wilde ze altijd al heen, maar haar man wilde nooit mee. En ze is van de generatie die niet alleen gaat, niet zolang manlief leeft. Ze kijkt bijna guitig bij die toevoeging.

Ze heeft nogal wat reiswensen op het lijstje staan. Gelukkig heeft ze een maatje waarmee ze over de wereld kan gaan. In haar eentje zou ze dat niet durven, maar samen komen ze een heel eind. Het enige waar ze zich een beetje zorgen over maakt, vertelt ze, is de bagageafhandeling op de luchthavens. ‘Je hoort zo vaak dat koffers zoek raken of dat er dingen in worden gestopt!’ Maar daar heeft ze wat op gevonden. Ze zendt haar bagage vast vooruit naar het hotel dat ze geboekt heeft. Na twee weken gaat ze dan haar koffer achterna. ‘Prima regeling! Mijn koffer staat al voor me klaar op mijn kamer. En de terugweg laat ik weer door het hotel regelen, zij sturen het handeltje voor me terug naar Nederland.’

Ik moet glimlachen om haar verhaal. Wat een power, wat een wilskracht!

We nemen aan het einde van het park afscheid van elkaar. Ze heeft haast want haar zwemclubje wacht op haar. ‘En dan mag ik niet te laat komen. Ze zijn allemaal oud weet je en oude mensen beginnen een beetje te zeuren. Als je vijf minuten te laat bent, denken ze al dat je dood bent.’ Onder hartelijk gezwaai verlaat ze het park.

Ik sta versteld. Over die bagage moet ik nog even nadenken, maar voor de rest neem ik me heilig voor om later ook zo te worden.

Oude liefde

Mijn honden sprongen uit de auto, blij dat ze eindelijk weer eens naar het bos gingen.

De drukte op mijn werk nam mijn hoofd en agenda te veel in beslag. Het was de hoogste tijd voor een ontspannen wandeling. Ik was bezig mijn jas dicht te knopen toen er een auto naast die van mij inparkeerde. Ik herkende Anja, de vrouw van mijn vriendelijke maar oersaaie tennisvriend.

Ze smeet met een harde dreun de achterklep van de auto dicht, nadat ze haar oude teckel uit de auto had geholpen. Ze leek me een beetje opgefokt, een beetje in de war. Ik was bang dat mijn wandeling niet zo rustig zou worden als ik had gehoopt.

Ik keek haar aan. ‘Hoi Anja! Alles goed?’ Overbodige vraag. Hup! Daar kwam het verhaal al.

‘Potverdorie! Ik moest net een noodstop maken!’ Vraagtekens op mijn voorhoofd zetten haar aan het verhaal verder te vertellen. ‘Daar, op de hoek van de straat moest ik plotseling keihard remmen voor een jong hondje dat de weg overstak en een vreemde man die er achteraan rende. Een gekke kerel met soort pyjamabroek aan. Het was dat ik zo goed reageerde, anders had ik ze allebei platgereden! Levensgevaarlijk! Ik schrok me dood!’ Ze vertelde dat ze was uitgestapt en samen met die rare man met pyjamabroek het jonge hondje had gevangen. Daarna was ze even met hem blijven praten. Ik begreep alle commotie niet. Het was toch goed afgelopen? Vanwaar dat opgejaagde?

Ze zuchtte diep en zei: ‘Die gekke man vertelde me dat het niet zijn hondje was, maar het hondje van een vriend van hem. Ten heet het hondje.’ ‘Nou ja,’ zei ik, ‘het is gelukkig goed afgelopen.’ Ze keek me aan. ‘Hij heet Ten! Ik ken maar één man die zijn hond Ten noemt. Een heel goede vriend van me.’

De manier waarop ze dat zei, deed mij vermoeden dat het wel iets meer was dan een goede vriend. ‘Een vriend? Leuk toch?’ zei ik uitnodigend. Dit werd sappig. Deze degelijke Anja, getrouwd met zo’n brave tennismeneer bleek ‘een heel goede vriend’ te hebben Wat zouden we nu gaan beleven. ‘Nou ja, leuk’ zei ze een beetje beschroomd, ‘ach weet je, het was wel iets meer dan zomaar een vriend. We hadden een tijd lang een verhouding. Het is al maanden afgelopen, maar zo nu en dan komt hij nog in mijn gedachten. Ik ben benieuwd hoe het met hem is, of hij inmiddels is gescheiden. Ik denk het eigenlijk niet, want ik zag hem laatst fietsen achter een grijze vrouw aan. Niet echt een type waar je voor de lol achteraan rijdt. Dat zal zijn vrouw wel zijn geweest.’

Het venijn was duidelijk. Dat huwelijk zat haar niet lekker.’ Toen ik het uit maakte, zei hij dat hij een pupje zou nemen dat hij Ten zou noemen, naar de hond uit één van mijn lievelingsboeken. En nu had ik bijna de dood van Ten op mijn geweten!’ Ze stopte haar verhaal en keek me aan. Ik lachte een beetje. Ze zag er behoorlijk doorgedraafd uit. ‘Bizar toch? Ik loop de laatste tijd zo vaak aan hem te denken en dan rij ik bijna over zijn hondje heen. Zal ik hem bellen?’ vroeg ze ineens. ‘Gewoon, om een keertje samen te lopen?’ ‘Tja…,’ was mijn voorzichtige reactie.’Zou dat nou handig zijn?’

Ik dacht aan mijn arme tennisvriend, die waarschijnlijk gewoon op zijn saaie kantoor zat en geen idee had van de stormen die weer over zijn huwelijk dreigden te komen. Hij dacht waarschijnlijk dat hij gelukkig getrouwd was. Ik besloot dat dat zo moest blijven. Ik zou haar van onverstandige stappen weerhouden.

‘Als die man nog steeds bij zijn vrouw is, moet je het misschien maar niet doen,’ opperde ik voorzichtig. ‘Wat bereik je ermee. Zenuwen, misschien een afspraakje dat natuurlijk uit de hand loopt. En dat terwijl je er nu net een beetje los van bent.’ Wat een degelijke opmerking! Ik stond versteld van mezelf.

Anja en ik hebben die middag ver gelopen, heel ver. Zij vooral zoekend naar het antwoord op de vraag wat nou wijsheid was. Ik op zoek naar ontspanning. Tegen de tijd dat de honden uitgeput dreigden te raken, wist Anja wat te doen. Ze zag alles weer helder en was gekalmeerd. Ze zou de ‘goede vriend’ niet bellen. We keerden terug naar de parkeerplaats.

Ik ben ervan overtuigd dat ik die middag twee huwelijken heb gered. Ten eerste dat van Anja en mijn tennismaat. Anja beloofde afstand te houden van haar oude minnaar en geen initiatieven te nemen. Huwelijk gered.

En daardoor ook het huwelijk van de baasjes van Ten. De minnaar en zijn grijze dame zouden gewoon hun rondjes kunnen blijven fietsen.

Nu moest ik mijn eigen doelstelling nog zien te bereiken. Echt ontspannen was ik namelijk van deze wandeling niet geworden. Ik zette thuis een lekkere kop thee. De honden waren gevloerd. Ze kropen direct hun mand in voor een diepe middagdut. Ik volgde hun voorbeeld op de bank.

En de rust kwam.

Floris

Ik kende de hond eerder dan de baas. Dat kwam omdat een vriend van mij pupjes had die ik mocht fotograferen voor zijn website. Tien krioelende zwart en bruin-witte Friese Stabijtjes, wiens namen volgens stamboomvoorschrift met een J zouden moeten beginnen. Floris was daar één van.

Op een middag had ik mijn rondje in het bos gelopen. Ik wilde net mijn honden aanlijnen toen ik iets vreemds zag. Een wandelwagen met een hondje erin. Een bruin-witte Stabij. Ik sprak de man aan. Zou dit één van de J-tjes kunnen zijn? Jawel, dit was Floris! Omdat hij nog niet zo ver kon lopen met zijn puppenpootjes had zijn baas een kinderwagen voor hem op de kop getikt. Het was een aandoenlijk schouwspel dat ook de aandacht trok van een stel andere wandelaars, waaronder die van een zeer chique mevrouw die je eerder op een première dan in het bos zou verwachten. Ze was gekleed in een prachtige Burberry jas met veel goud om haar vingers en pols. Ze vroeg vriendelijk of ze Floris mocht aaien maar zonder het antwoord af te wachten werd de hond al geknuffeld. Floris schrok even van al het gerinkel aan haar hand, maar liet het zich verder lekker aanleunen. ‘Meneer!’ riep zij geaffecteerd uit, ‘wat een prachtidee om uw hondje in een wagentje mee te nemen.’ Aan haar opmerkingsgave mankeerde helemaal niets, ze had groot gelijk. De baas van Floris keek haar trots aan en antwoordde dat hij het karretje speciaal voor zijn hondje had gekocht. ‘Bij de kringloopwinkel soms meneer? vroeg de grande dame. ‘Ja mevrouw, hoe weet u dat? Werkt u daar soms?’ De dame keek ontsteld, deze vraag had ze niet verwacht. Ze wist plotseling niets meer te zeggen.

Ik keek van de dame naar Floris’ baasje. Verbeeldde ik het me of zag ik een vleugje spot in zijn ogen?

Pianoles

Ik ga eens per week om negen uur ’s morgens naar pianoles. De honden mogen altijd mee. Niet dat ze iets aan de pianoles hebben, want dat half uurtje moeten ze in de auto wachten tot we gaan wandelen. Dat is Mijn Half Uurtje. Daarna komen zij aan de beurt.

Elke week, als ik thuis mijn schrift en pianoboeken pak, weten ze het al en staan ze bij de deur. Je ziet ze denken: tijd voor de hei. Want de pianolerares woont vlak bij één van de mooiste heides uit de buurt.

Vandaag stap ik met de nodige twijfel de auto in, want ik heb veel te weinig gestudeerd. Een kwartier voor een nocturne van Chopin. Hij zou zich in zijn graf omdraaien.

Op de les aangekomen draai ik eerst de pianokruk omhoog. Alsof dat mijn prestatie zou verbeteren. Ik zet de eerste maten om in muziek. Met wat aanwijzingen, ‘minder pedaal, iets luider spelen’, wordt het zowaar echt een beetje Chopin. Uitleg, wat schrijfsels onder de notenbalk, ‘nog eens die maat alsjeblieft – in welke toonsoort staat het stuk?’

De tijd vliegt voorbij. Het eindeloos geduld van de juf stimuleert. Het zet aan tot spelen, vanavond zal ik alle mooie stukken die ik ooit heb ingestudeerd weer eens herhalen.

Zingend kom ik in de auto voor het volgende agendapunt, de honden kwispelen al. We gaan met de muziek nog in mijn oren de hei op voor hun uurtje rennen. Ik neurie zacht alvast mijn verder te studeren stuk. Mijn Half Uurtje, af en toe een dankbare natte hondenneus bij mijn hand.

Ik ben Chopin eeuwig dankbaar; wat een prachtig begin van de dag!

Impulsief

Net toen ik dacht dat de verhalen uitgeput raakten, vertelde zij mij het hare.

Ik zag haar al in de verte. En eigenlijk baalde ik daar een beetje van, want ze was nogal een kwetsbaar typetje. Mijn honden mochten niet in haar buurt komen omdat ze een gebroken teen had en aangezien mijn honden bij voorkeur IN je schoenen gingen staan, was onze verhouding een beetje ingewikkeld.

Mevrouw Kwetsbaar riep al van verre dat de honden voorzichtig met haar moesten zijn. Zelf had ze een acht maanden jonge bastaard die in al zijn vrolijkheid onmiddellijk tegen je opsprong. Met poten waarmee hij net vol door de modder had gegaloppeerd. Maar goed, ik had geen gebroken teen dus het kon mij allemaal niets schelen. Ik aaide zijn lieve kop die probeerde de hondenbrokjes uit mijn zak te pikken.

Mevrouw K riep luid dat haar hond moest komen. Geen enkel effect. Ik liep boven op een heuveltje, zij beneden. Ze riep me toe: ‘Hij luistert niet erg en ik durf niet naar boven!’ Naast de gebroken teen bleek ze ook last te hebben van hoogtevrees. Om de conversatie iets gemakkelijker te maken daalde ik maar af naar beneden. Ik riep mijn honden bij me, weg van haar tere voetjes.

Dat gebaar maakte haar milder. ‘Ach, laat ze maar, het gaat al een stuk beter met mijn voet. Zal ik me even voorstellen: Marie-Louise.’ Ik was verrast want voorstellen deden we nooit. We aaiden de honden, vertelden verhalen maar werden als baasjes zelden persoonlijk. Ik keek naar haar gezicht. Best aardig eigenlijk, ik schatte in dat ze van mijn leeftijd was. Misschien moest ik mijn mening een tikkie herzien en was ze toch niet zo’n tuttig typetje. Ik besloot een stukje met haar op te lopen.

Ze vertelde dat ze altijd honden had gehad, maar dat deze de lastigste was van allemaal. ‘Hij knaagt aan alles in huis. Hij heeft mijn schoenen, mijn handtas en alle tijdschriften al gehad. Nu alleen de vioolkist nog.’ Ah! Ze speelde viool. Ik begon haar nu werkelijk anders te bekijken.

‘Heb je les?’ vroeg ik.

‘Neen! Geen les, niet meer!’ vlamde ze.

Ik verbaasde me over die plotselinge felheid in haar stem. Ze leek ineens met haar gedachten mijlenver te zitten. Toen ze weer op aarde neerdaalde zei ze: ‘Ik heb mijn pup gekregen omdat ik in een zware depressie zat. Na mijn scheiding zag ik het allemaal niet meer zitten… Ik kwam nergens meer, mijn zoon ging bij mijn man wonen, ik was plotseling helemaal alleen. Ik zat dagen met de gordijnen dicht in mijn nieuwe huis. Mijn vrienden hebben mij toen dit pupje cadeau gedaan. Om me weer een beetje op de been te helpen. Het was lief bedoeld.’ Ze keek me aan. Ik begon steeds meer sympathie voor haar te voelen. Helemaal alleen met haar depressie en haar knaagpup, de arme. ‘Zie je je zoon nog wel?’ vroeg ik. ‘Ja, sinds kort weer een beetje. En mijn man ook. Maar ja, er was een derde in het spel en die schaduw hangt nog teveel over ons heen.’

Ach, ik zag het helemaal voor me, mevrouw Kwetsbaar in de steek gelaten voor een ander, de zoon die zo’n snelle, strak in het vel zittende nieuwe juffrouw van pa wel zag zitten en die ineens geen spruitjes maar spannende Italiaanse hapjes te eten kreeg.

‘Ik heb ook zo stom gedaan!’ kwam er ineens heftig uit. ‘Het is echt allemaal mijn eigen schuld!’ Ik zweeg, verbaasd over deze wending. De haren van Marie-Louise illustreerden haar boosheid. De krullen sprongen alle kanten op.

‘Mijn man wil niet geloven dat het een korte verhouding was. Hij denkt dat ik al jaren wat met hem had. Maar het is echt niet waar! Na al die jaren vioolles sloeg ineens de vlam in de pan. Wham! Weg was ik! Man en kind in de steek gelaten, direct bij hem ingetrokken. Zomaar! Van de ene op de andere dag!’ Ze keek me aan om mijn reactie te peilen.

Dus zij had een ander? Ik moest een beetje gniffelen. Zij was verliefd geworden, niks strakke juffrouw die op vaders pad was gekomen. Moeder was zelf op vrijersvoeten gegaan!

‘Ik was helemaal weg van die leraar! We genoten van de muziek en van elkaar. Maar ja, na een paar maanden was dat over. Weg vlam. Maar ook: weg man. Toen ik weer thuis wilde komen wilde mijn man mij niet meer. Hij geloofde me niet. Hij dacht dat ik hem al veel langer had bedrogen.’

Eén ding werd mij duidelijk. De dingen zijn vaak niet wat ze lijken. Een fragiele vrouw blijkt een hartstochtelijke minnares. De muziek als sleutel voor het ongeluk…

De wandeling was ten einde. Zij wachtte op de lieve knager, ik nam mijn honden aan de lijn. Ik wist eigenlijk niet zo goed wat ik zeggen moest. Zij loste het voor me op toen ze zei: ‘Nou ja, om een lang verhaal kort te maken, ik heb dus geen vioolles meer, snap je?’

Mooi moment

Ik liep in de late zomerse avondschemering nog een rondje in het park. Ik kwam twee andere wandelaars met hun hond tegen en hoorde een blije stem: ‘Nu ben ik echt groter mam!’ Ik zag een kennis van me, met haar dertienjarige zoon. Waarschijnlijk zou hij al naar bed moeten, nog even lezen en dan slapen, stelde ik me zo voor. Ik had gehoord dat het deze week toetsweek was. Het einde van het schooljaar in zicht, met de stress van wel of niet overgaan.

Wat was haar zoon groot geworden! Ik keek met bewondering naar hem. Zijn haar net iets in zijn ogen, lokken verantwoord over zijn oren. Een mooie jongen. Hij maakte grapjes waar zijn moeder erg om moest lachen. Hij sprong op elk paaltje langs het pad. En hij klom in elke boom die daartoe uitnodigde om daar dan vervolgens uit te springen. ‘Voorzichtig!’ riep zijn moeder bezorgd. Zinloos natuurlijk. Maat 42 ving hem wel op.

Rode wangen, ontspanning. Tevreden hijgende honden.

Groot kind, te groot kind, kleine man, trotse moeder. Wat een mooi moment!

Jonge God

Ik liep op zondagochtend alleen met de honden in het bos. Ik genoot van de stille vroegte. Geen slierten fietsende heren, uitgedost met snelle lampenkappen op hun hoofd, geen trimmende bierbuiken en kletsende dijen in te strakke broeken. Gewoon, alleen maar bos.

Ik neuriede wat in mezelf en bedacht me dat ik op dat moment het gelukkigste mens op de wereld moest zijn. Voetstappen, snel, sneller, snelst. Ik keek op. Daar kwam vanuit het gouden zonlicht, een jonge man met een zwarte hond aangerend. Strak pak, bezweet, lange blonde lokken onder een hoofdbandje. ‘Goedemorgen!’ riep hij enthousiast in het voorbijgaan. Geen gehijg, heel beheerste stem. Niet moe te krijgen natuurlijk, zo’n jonge knaap. Hij rende verder. Ik was zo mogelijk nog gelukkiger. Wat een mooi beeld, het leek wel een Griekse god op zoek naar zijn geliefde. Ik werd op slag verliefd op de jeugd, verloor me in dromen van weleer en danste in gedachten door het bos in de illusie dat ik weer de leeftijd en de vormen had van een schone jonge dame. Ik ging op een bankje in het bos zitten om ten volle van dit geluk te genieten. De zwarte hond kwam even een aai bij me halen. De jongen zag het, zwaaide, riep de hond en rende weg.

Na een poosje liep ik weer door. Om verderop weer de goddelijke ridder als een hert te zien galopperen. Zijn lange haren bewegend op het ritme van lichtvoetigheid. Hij kwam terug, hij rende in mijn richting. Hij komt je halen, hij neemt je tot bruid, hoorde ik in mijn gedachten. Hij zou op zijn knieën vallen en vragen:

mijn liefde, Parel van God, kom met mij mee, naar het land van je toekomst, waar ik je zal dienen…

Van grote hoogte donderde ik terug op aarde toen hij tot me sprak. Geen zoetgevooisde stem, geen knieval. ‘Mevrouw, ik ben mijn hond kwijt, heeft u hem gezien? Die grote zwarte. Hij kwam nog even bij u toen u op het bankje zat uit te rusten!’

Mevrouw, Parel van God zul je bedoelen. Uit te rusten? Wie denk je wel dat je bent, jonge vlerk? Ik rustte niet, ik genoot in stilte van het ochtendgloren.  

Het werd me duidelijk dat de jongeling geen toekomstige bruid in mij herkende. Dat hij mijn grijze haar niet voor gouden lokken aanzag.

Met een stem, echt oma waardig, kraakte ik dat ik geen hond gezien had. Of ja, toch, nu herinnerde ik het me weer. De hond was helemaal daar naar toe gerend, dat hele lange rechte pad af! En dan voorbij de bocht, hij rende en hij rende! Ja, dat had ik gezien! En ik wees een hele andere kant op. De jongen sprintte weg en vloog het rechte pad af, voorbij de bocht, in de hoop de hond te vinden.

Ik rechtte mijn rug en liep statig als een oma verder. Sukkel, dacht ik terwijl de bruidsgedachte vervloog en ik naar het veldje keek waar zijn hond werkelijk heen was gegaan. Stomme sukkel!

Ik grinnikte en genoot van mijn zondagochtend venijn…

Engel

‘Hee! Lang niet gezien! Hoe is het? Was je op vakantie?’

‘Nee, geen vakantie. Ik heb een poosje elders gewoond.’

O… dit benaderde de grens van het niet vraagbare. Ik wachtte maar even af, een beetje twijfelend om teveel te vragen of te weinig belangstelling te tonen. Ze keek me aan en vervolgde: ‘Ik was bij mijn moeder.’ Aha, problemen waarschijnlijk; huwelijk natuurlijk op springen.

‘Ach,’ reageerde ik bedeesd.

‘Mijn moeder was terminaal en we wilden haar de laatste periode zelf verzorgen. Dus zijn mijn zus en ik bij haar ingetrokken. Het duurde drie weken. Het was lang, maar wel heel mooi.’ Ze wijdde uit over de ziekte, de hulp van de dokter en haar emoties. Ze had duidelijk even een uitlaatklep nodig.

‘Goh,’ antwoordde ik, ‘wat een verhaal. Goed dat je weer hier bent. Wie heeft er voor je hond gezorgd toen je weg was?’ Ze antwoordde dat hij mee was geweest. ‘En dat was heel fijn want dan konden we er af en toe even uit. Mijn moeder woonde aan de rand van het bos, dus hij heeft een goeie tijd gehad! Mijn zus en ik hebben om de beurt met hem gewandeld. Heerlijk om even je gedachten te verzetten want het was een loodzware tijd. Mijn moeder heeft zo geleden…’

Ze gooide een tennisbal weg. Haar hond, die altijd een wat schlemielige indruk maakte, had hem bijna, maar hij struikelde over zijn eigen poten en keek heel verbaasd op… waar was die bal nou??

Zijn bazin merkte het niet. In gedachten verzonken zei ze: ‘Weet je wat nou zo vreemd was? Elke avond na de laatste wandeling kroop de hond in de gang in zijn mand. Net als thuis. We hadden na een paar dagen bij mijn moeder dezelfde routine opgebouwd. Maar op de avond dat het echt dramatisch slecht ging met mijn moeder wilde hij persé bij haar op de kamer liggen. Hij plofte bij haar voeteneind neer en keek me aan als of hij wilde zeggen: waag het niet me weg te sturen. Ik heb hem daar dus maar laten liggen. Mijn zus en ik sliepen in de kamer naast die van mijn moeder. Maar ik kon niet slapen. Bij elke zucht van haar was ik weer alert. Riep ze me? Hoorde ik haar kreunen? Ik ben wel honderd keer uit bed gekomen. Dan kamde ik haar haren een beetje, deed water op haar lippen of eau de cologne achter haar oor; en maar weer terug in bed. Op een gegeven moment hoorde ik weer iets. Ik bleef liggen en hield mijn adem in. De hond gaf een korte blaf en ging tegen het bed opstaan, ik hoorde het tikken van zijn nagels tegen de rand van mijn moeders bed. Vervolgens hoorde ik hem naar de gang gaan en al rondjes draaiend in zijn mand neerploffen. Ik sprong overeind en spurtte naar mijn moeder. Ze was gestorven. Ze lag er vredig bij, helemaal warm nog, een glimlach om de lippen. Haar ene hand lag tegen de rand van het bed. Het laatste dat ze waarschijnlijk gevoeld heeft was de natte neus van mijn hond. Het is net of hij haar naar het hiernamaals heeft geholpen.’

Ik kreeg tranen in mijn ogen. Ik keek naar het dartele dier dat nog geen bal kon vangen.

Maar die de zieke vrouw ten hemel heeft geleid.

De engel.

Drie ouders

Ik kende het hondje van de hondenles. Mijn honden herkenden hun vriendje ook en liepen enthousiast op hem af. De geblondeerde bazin kende ik niet. Maar omdat de honden zo leuk speelden, liepen de onbekende dame en ik samen een eind langs het strand.

Het gesprek ging over koetje en kalfjes, over opvoeden van honden, kinderen en werk. Opeens vroeg ze of ik kinderen had. ‘Een zoon,’ zei ik. ‘Ik een tweeling,’ zei ze. Ach maar natuurlijk! Ik had op de les wel eens twee kleine jongetjes om dit hondje heen zien springen. Nu stond ook de baas me weer helder voor de geest. Een aardige maar tikkie ordinaire man. Deze geblondeerde rasechte Amsterdamse paste goed bij hem. Maar dat de tweeling bij hen hoorde verbaasde me. De jochies leken namelijk van chocolade te zijn gemaakt en dat was met zulke oer-Hollandse ouders op zijn minst wonderlijk te noemen. Aangenomen kinderen soms? Ik zal wel een vragende uitdrukking op mijn gezicht hebben gehad. ‘Leuke jongens!’ zei ik in plaats van meteen indiscrete vragen te stellen.

‘Prachtkinderen,’ mijmerde de moeder. ‘Ze zijn af en toe een beetje lastig, maar gelukkig zijn we met zijn drieën.’ Ik begreep haar niet. Ze zag het en ging vertellen.

‘Mijn man was al jaren vaste klant in het café van mijn vader in Amsterdam. Elke dag dronk hij zijn biertje aan onze bar. Hij hoorde gewoon tot het meubilair. Op een dag merkte ik dat hij belangstelling voor mij had. Moet je nagaan! We kenden elkaar al jaren en dan gebeurt er zoiets!

Maar goed, we trouwden binnen een half jaar. Ik was al bijna dertig en ik begon een beetje haast te krijgen want ik wilde heel graag kinderen. Maar wat denk je? Bleek mijn ridder onvruchtbaar! Terwijl we al een kinderkamer hadden ingericht, met een bedje en gordijntjes, roze en blauw. Van alle markten thuis!’

Wat een verhaal en wat een prachtige Amsterdamse tongval! Ik moest wel een beetje lachen om haar openheid. Daar ging het verhaal alweer verder: ‘We zaten in zak en as, tot mijn man zei dat we iets moesten gaan doen. En omdat we niet wilden dat ons kind uit een reageerbuis zou komen kruipen, hebben we besloten dat we het anders moesten aanpakken. Ik zou ons kindje zelf moeten maken met iemand die we zouden uitzoeken via een advertentie in de zaterdagkrant.

Iemand uit het café heeft ons geholpen met een goeie tekst, want dat kunnen we niet zo goed. Maar uiteindelijk stonden we erin. Op Zaterdag! Meer dan twintig telefoontjes kregen we. Met een paar mannen die we wel leuk vonden klinken, hebben we een afspraak gemaakt. In het café van mijn vader. We hebben een dolle avond gehad. Maar er was niemand bij die we goed genoeg vonden. Dus wij weer naar huis, helemaal teleurgesteld.

De volgende dag zitten we aan het ontbijt. Tringtring… telefoon. Weer iemand voor de advertentie. Wij diezelfde middag naar het café. En raad es wie daar binnenkwam?’

Ik hoefde helemaal niets te raden want ze ratelde maar door: ‘De overbuurman! Onze Cubaanse overbuurman, asjemenou! Zo’n aardige man, we wisten het meteen. Van hem zou ons kindje komen!’ De kleurrijke details van de conceptie zal ik hier niet herhalen. Maar duidelijk werd dat de Cubaan en de Amsterdamse dame een paar ontmoetingen bij kaarslicht nodig hebben gehad. Met als glansrijk resultaat de twee prachtige jongetjes met hun chocolade velletjes.

‘Weet u mevrouw,’ zei de trotse moeder ‘wat nou zo mooi is? Als de jochies lastig zijn is een extra vader wel zo handig… en lekker dichtbij!’ Ze keek me stralend aan. Er kwamen veel vragen bij me op.

Ik stelde er niet één. Want zo simpel als de ordinaire Amsterdamse het samenvatte kan het leven zijn:

‘Zes K’s: Kora, krant, kijken, keuren, ketsen, kindjes!’

De list

Ze liepen met zijn tweeën, innig gearmd en voorzichtig. Haar, een grijze statige dame, had ik wel eens eerder gezien, hem niet. Hun oude hond liep een beetje sukkelig achter hen aan. ‘Kom Ballie! Een beetje doorlopen!’ riep de man. De vrouw maakte zich van de man los en wachtte. Mijn hond, die gek is op mensen, kroelde tegen haar aan.

‘Dag lieverdje… wil je een brokje?’ Ze gaf mijn bedelaar iets lekkers en aaide hem. ‘Je ziet deze honden niet veel meer hè… mooi zijn ze zo, met staart.’ Ik was naderbij gekomen en knikte. De man was doorgelopen en stond nu ruim dertig meter van ons verwijderd. Hij was duidelijk niet van plan deel te nemen aan deze conversatie. ‘Ballie, kom nou!’ riep hij alleen maar.

‘Hoe oud is uw hond mevrouw?’ vroeg de statige dame, de man geheel negerend. ‘Bijna acht,’ antwoordde ik. ‘Ach, acht alweer, ben je alweer bijna acht, grote krullebol… ik zie het, je wordt al een beetje grijs, net als ik.’ Ze leek hem bijna gedachteloos te aaien, haar blik op iets in de verte gericht. ‘Ballie! Kom!’ hoorden we op afstand. Boos nu. Meneer werd ongeduldig. Ballie moest doorlopen en mijn stellige indruk was dat dat eigenlijk ook van de dame werd verwacht. De nette Gooische meneer, plint in ribbroek, sjiek colbert, was duidelijk niet op de hoogte van de etiquette tussen hondeneigenaren. Hij had niet in de gaten dat het usance is dat je tijd neemt voor een praatje over de hond. Tijd is in het bos even geen geld, tijd is om met elkaar over de viervoeters te praten, om hen te liefkozen en die momenten te koesteren.

Mevrouw keek dan ook verstoord op. Ballie deerde dit allerminst. Hij was inmiddels bij ons aangekomen, stond stil en bedelde ook om een koekje. Dat werd in zijn slurpende bek gedaan. ‘Lekker hè schat! Ach, jij ook nog één, krullebol? Ja, kom maar hoor… weet u mevrouw, vroeger had ik ook zo’n hond, die is niet ouder geworden dan vijf. Hij was ineens erg ziek, zo maar van de éne op de andere dag. De dokter stond voor een raadsel. Hij heeft hem uiteindelijk laten inslapen. Het heeft een hele tijd geduurd eer ik erover heen was. En toen kwam onze Ballie, 15 jaar geleden. Mijn man is niet zo gek op hem, maar het is zo’n schat! Nu wordt hij misschien een beetje traag, maar wij lopen ook niet meer zo hard moet je maar denken…’

Ze keek even op, boog zich fluisterend naar me toe en zei zacht: ‘Als Ballie dood is wil mijn man verhuizen naar een serviceflat. Vreselijk, dan moet ik bij zo’n verzameling bejaarden gaan wonen! En wat nog erger is: honden zijn er niet toegestaan. Waarschijnlijk moet ik elke dag bridgen terwijl mijn man met sigaar en vrinden over de beurs praat. Of moet ik naar een in het huis georganiseerde modeshow voor bloemetjesjurken.’ Het was duidelijk, ze had een uitgesproken idee over een serviceflat. Mevrouw wendde zich nog dichter naar me toe. ‘Ik wil daar helemaal niet heen. Ik wil niet weg uit mijn huis, weg van mijn tuin, mijn rozen. Ik moet er niet aan denken!’ Ik zag haar al voor me, met een mandje door de tuin lopend voor de verdorde rozen, babbelend tegen de oude hond, af en toe wat onkruid wegtrekkend. En dat zou ze binnenkort achter zich moeten laten.

Ik keek even naar Gooische heer. Hij stond nog steeds op Ballie te wachten. Ongeduldiger, bozer, wachtend op zijn vrouw en op een mogelijke verhuizing. Ineens vond hij het kennelijk genoeg, hij liep naar ons toe, vastbesloten zijn vrouw bij de arm te nemen en mee te tronen. De arme dame, ik vond haar sympathiek en had veel begrip voor haar dilemma. Ik had een paar seconden om haar een oplossing aan de hand te doen. Tom Poes verzin een list!!

Net op tijd had ik het. Ik sprak gehaast. ‘Ik heb een vriendin die na haar scheiding een goed huis zoekt voor haar lieve hond, vijf jaar oud. Ze kan niet meer voor hem zorgen omdat ze fulltime moet gaan werken. De hond is goed getraind en heel gehoorzaam. En… hij gaat nog jaren mee! Zou dat iets zijn? Zij heeft echt hulp nodig! Bel me, hier is mijn kaartje.’ Ik stopte haar snel een visitekaartje toe dat ik in mijn zak had zitten.

De Gooische meneer was aangekomen bij vrouw en hond. ‘Kom mee,’ zei de man. ‘Kom Ballie!’ Hij pakte de vrouw bij de arm en keek mij aan. ‘Dag mevrouw,’ zei hij zeer nadrukkelijk, ‘een prettige dag!’ Hij voerde zijn echtgenote mee. Daar liepen ze weer verder, innig gearmd. Vastgehaakt aan haar man keek de vrouw heel even om. Met haar vrije hand stak ze een duim op. Ik deed hetzelfde.

Een paar dagen later werd ik gebeld door de dame die ik in het bos had ontmoet. Of ze het telefoonnummer van mijn vriendin kon krijgen.

Het echtpaar zal zich de ontmoeting nog lang heugen.

De hond is inmiddels verhuisd. De man nog lang niet.

Knock-out

Ik liep mijn ochtendwandeling later dan anders. Daardoor kwam ik een vriendin van me tegen. Zij is geen vroege vogel, ze ontwaakt pas als de meeste mensen aan hun eerste koffiepauze toe zijn. En dan, na een meditatie en een kop thee, gaat ze met haar kleine hondje wandelen. Ik ben altijd blij haar te zien, want het is een heerlijk mens. Ze heeft iets heel bijzonders, fragiel en krachtig tegelijk.

Ze had een kleurrijke sjaal om. Toen ik dichterbij kwam zag ik dat daarin haar arm was verpakt. Ze begroette me wat ingetogen. Ik keek haar aan. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik, kijkend naar die sjaal.

Ze keek een beetje besmuikt. ‘Hand gebroken,’ zei ze. Ik dacht meteen aan een sportongeluk want ze was uiterst sportief. Ze tenniste, fietste, wandelde. Ze wikkelde de sjaal van haar arm en liet me het witte gips zien. Ik wachtte op dat wat komen zou. Er kwam niets. Ik bleef haar vragend aankijken. ‘Ach, nou ja…’ Ze voelde zich duidelijk niet op haar gemak. Ik vond het vreemd, want meestal was ze erg open tegen me. ‘Nou… eh… ik denk dat je het een beetje raar zult vinden.’ Ik zei niets. Dat is een beproefde methode om mensen aan het praten te krijgen. ‘Oké dan,’ diepe zucht, ‘ik heb gevochten, ik heb mijn buurman knock-out geslagen.’ Deze rake klap had effect. Niet alleen op de buurman en haar pols, maar ook op mij. Ik stond aan de grond genageld. Deze lieve vrouw, die geweld verafschuwde, die altijd het goede in de mens zag: iemand tegen de grond geslagen?

Ik begon ongelovig te giechelen en keek haar vragend aan. ‘Echt?’ Ze knikte. ‘Wie? Toch niet je rottige buurman?’ Weer een knik. ‘Te gek!’ was mijn reactie. Toen kwam ze los. ‘O? Meen je dat? Vind je het niet vreselijk van mij?’ Onverwacht, ja, dat was het, maar niet vreselijk. Die buurman zat haar al jaren dwars. Ze had het al veel eerder moeten doen. Maar ik wilde nu wel weten welke druppel haar emmer had doen overlopen.

‘Zijn hond viel onze hond aan, op de drempel van ons huis nota bene, net toen we naar binnen wilden gaan. Hij had mijn arme Beertje in zijn nek en schudde hem alsof het een prooi was die dood moest en de buurman deed niets. Hij greep niet eens in, hij keek alleen maar. Ik ging door het lint, heb zijn hond geschopt, gegild en die vent stond daar maar te kijken. Uiteindelijk liet zijn hond Beertje los en toen werd het zwart voor mijn ogen. Wham! Ik haalde uit. Niet meer naar de hond, maar naar die man.’ Ze keek naar mijn reactie. Die stimuleerde om door te vertellen. ‘Daar lag hij, gevloerd! Het was een hels kabaal en de hele straat was uitgelopen om te kijken wat er aan de hand was. Ze begonnen te juichen! Want iedereen heeft de pest aan die man. Hij lag te kermen als een klein kind. En toen kwam zijn vrouw… Die was woedend! Ze zou de politie op me afsturen.’ Ik lachte. Wat een verhaal! ‘En? Kwam de politie?’ ‘Ja, een dag later. Maar ik zou er verder niets van horen want die man wilde geen aanklacht tegen mij indienen. Maar het mooiste moet nog komen.

Een paar dagen later kwam ik de buurman weer tegen in de straat. Ik zag blauwe plekken in zijn gezicht en wilde iets tegen hem zeggen, want ik had natuurlijk niet zo op hem in mogen timmeren. We raakten aan de praat en hij was eigenlijk best aardig. Hij vertelde me dat hij als de dood is voor zijn vrouw. Hij zit ongelooflijk bij haar onder de plak. Zij jut hem op en hij durft haar niet tegen te spreken. Hij bood nota bene zijn excuses aan voor mijn gebroken pols en hij wilde mij iets vragen.’ Ik keek haar argwanend aan. ‘O?? En wat wilde die vent van je?’

‘Of ik volgende keer niet hèm, maar zijn vrouw knock-out wilde slaan!’

Latten

‘Jee, wat zie jij er netjes uit!’ Ik probeerde mijn hond bij haar vandaan te houden. Te laat, hij had zijn snuit al tegen haar mooie rok aangeduwd. ‘Nee, niet doen! Ik moet zo werken! Niet doen!’ De anders altijd zo toegankelijke vrouw in het bos maakte afwerende gebaren naar mijn hond. Ik wist dat ze drie keer in de week werkte bij een oude man. Ze deed de boodschappen, kookte en zorgde dat zijn huis netjes bleef. Ze was ingehuurd door de kinderen toen de man weduwnaar was geworden. Hij woonde in een prachtig klein huis midden in het bos. Een echt ‘Hans en Grietje huisje’. Ze bofte met die baan. Ze kon eerst haar hond uitlaten, dan boodschappen doen en dan voor een paar uur naar het Hans en Grietje huisje gaan. Maar nooit trof ik haar in de vroege uren zo keurig aangekleed als vandaag. ‘Is er feest?’ vroeg ik. Ze lachte. ‘Nou, dat is te zeggen, feest… .. ik verlies misschien mijn baan… dus tja… ‘ Ik begreep er niets van. ‘Mijn baas krijgt bezoek vandaag’, legde ze uit. ‘Een vriendin van de familie, één of andere kunstenares, vijftien jaar jonger. Alles moet pico bello in orde zijn. Ze komt lunchen en ik moet iets lekkers serveren. Hij is er al dagen zenuwachtig over. Ik denk dat hij serieus een oogje op haar heeft en haar wil versieren. Ik moest vandaag zelfs opgetut komen. Maar daar heb ik niet zoveel zin in want als hij werk van haar maakt en zij bij hem komt wonen, ben ik misschien mijn baan kwijt.’ Ik begreep haar probleem en probeerde haar gerust te stellen. ‘Nou ja, misschien wil die nieuwe vlam jou er ook wel bij.’ Ik wenste haar sterkte en glimlachend liep ik verder. Ik vind verhalen over oudere mensen die, na droeve ervaringen toch nog wat van hun leven proberen te maken, altijd heerlijk om te horen.

Ik was het hele voorval van de oude versierder al vergeten tot ik haar een paar weken later weer tegenkwam. ‘Heb je je baan nog? Of is het huis overgenomen door de nieuwe liefde?’ vroeg ik haar. ‘Nee, ik heb mijn werk nog. En het is zelfs drukker dan ooit. Zij komt veel, houdt van lekker eten dus ik kook me gek. En ik moet het huis nog veel gezelliger maken dan eerst. Elke keer verse bloemen op tafel, nieuwe cd’tjes met Franse chansons… kaarsen… ze zijn net een stel verliefde pubers!’ ‘Maar ze neemt de tent niet over?’ vroeg ik belangstellend. Ze vertelde: ‘Nee, ze neemt de tent niet over. Het verhaal zal wel goed aflopen. Ik kreeg het wel even benauwd want ik wist dat hij haar op een middag zou vragen bij hem in te trekken. De dag erna trof ik hem wat somber aan. Ik durfde niets te vragen. Maar op een goed moment vroeg hij me even bij hem te komen zitten. Daar zul je het hebben dacht ik. Ik krijg mijn ontslag… Bij een kop thee kreeg ik te horen dat hij met zijn nieuwe liefde gesproken had en haar gevraagd had bij hem te komen wonen. Maar ze had geweigerd! Ze had gezegd dat ze hem erg aardig vond maar dat ze ruimte voor zichzelf nodig had. Hij vond het allemaal maar onzin en was erg teleurgesteld. Dat had ze gemerkt en ze had iets anders voorgesteld. Mijn baas had niets van haar plan begrepen en had daarom maar gezegd dat hij daar veel te oud voor was. Het bleek dat zij wilde latten. Hij vroeg mij wat dat inhield. Ik heb het hem uitgelegd, Living Apart Together en gezegd dat het wel een goed idee was. Hij ontspande en weet je wat hij toen deed? Hij belde zijn dochter. En ik hoorde hem aan de telefoon lachen: je raadt het nooit! Weet je wat ik ga doen? Ik ga LATTEN!’

Ik heb hem sinds lang niet zo blij gezien. Van werken is die middag niet veel gekomen. Hij schoof de thee aan de kant, haalde twee van zijn lekkerste biertjes tevoorschijn en toastte met mij: ‘op de LAT!’

Krakende botten

Het stormde ontzettend. Het bos klaagde en piepte. Overal lagen afgebroken takken. De honden klommen tussen en onder omgevallen boomstammen door. Ik stond stil bij een paar grote beuken en keek naar boven. Ze kraakten vervaarlijk. Er heerste een onheilspellende sfeer in het bos. Heel veel geraas en lawaai en tegelijkertijd zo stil.

Ik stond een beetje te dromen en had niet in de gaten dat er een klein meisje naast me was komen staan. ‘Je hoeft niet bang te zijn hoor!’ zei het meisje. ‘Dat de takken naar beneden vallen bedoel ik… op je hoofd,’ giechelde ze.

‘O nee?’ zei ik, terwijl ik argwanend naar boven keek. ‘Ik vind het anders wel griezelig hoor! Ze kraken wel heel erg.’

‘Geeft niks,’ zei het meisje. ‘Het klinkt net als mijn vader op maandagochtend wanneer hij zondags heeft gehockeyed. Dan kraakt ook alles bij hem. En dat vind ik altijd heel eng, maar dan zegt hij: krakende botten breken niet. Dat zal ook wel voor takken gelden, denk je niet?’

Geluk

Ik deed laat in de middag boodschappen. Het regende dat het goot. De honden zaten al die tijd braaf in de auto. Ineens werd het even droog. De lucht dreigde weliswaar nog, maar een waterig zonnetje liet het pad dampen en lokte mij uit de auto voor een wandeling langs het water.

De honden huppelden hun vrijheid tegemoet. Ik rommelde nog wat met mijn sleutels, bond de riemen om mijn nek aan elkaar en ging de honden achterna.

De herfst liet de bomen als goud in het water spiegelen. Zwanen dobberden in het donkere licht. De wind was gaan liggen en er hing een dreiging in de bijna paarse lucht. Ik bleef in verwondering staan en werd overweldigd door de schoonheid van het moment.

Een hele oude meneer naderde, kromgebogen over zijn wandelstok. Hij kwam naast me staan en draaide zich naar het water. ‘Mooi hè mevrouw! Ongelooflijk, zo mooi! Het lijkt wel een schilderij!’

Ik keek naar hem. Zijn handen waren krom van de ouderdom, zijn ogen zaten verstopt tussen de rimpels.

Ik antwoordde: ‘Ja, bijzonder, dit licht, die stilte… Jammer dat maar zo weinig mensen dit zien.’

De man boog zich naar me toe en fluisterde op samenzweerderige toon: ‘Ja mevrouw, maar dit is ons moment. U en ik zien het, wij samen!’ Hij strompelde verder.

Hij en ik, samen, gelukkig.

Gehoorzame vis

Tot mijn verbazing kwam ik de vrouw van mijn viszaak in het park tegen, midden op de dag. ‘Moet jij niet in de winkel staan?’ vroeg ik haar. Ze slaakte een diepe zucht. ‘Ja, eigenlijk wel, maar ik moest even een luchtje scheppen. Ik was zo boos!’ Ik zei niets, de stoom kwam uit haar oren, het verhaal zou vanzelf wel komen. ‘Er kwam net een klant,’ brieste ze, ‘zo’n hele chique tante weet je wel, zo’n kakmadame. Ze kwam mosselen terugbrengen. Een half zakje.’

De visboer zette haar hoge stem op: `Mevrouw! Normaal koop ik mijn vis in de stad. Nu één keer hier en meteen gaat het mis! Deze mosselen zijn niet goed! Bedorven, helemaal fout! Als alles hier van een dergelijke kwaliteit is kunt u de zaak beter sluiten! Ik wil mijn geld terug, voor de hele zak!!’  

De visboer hapte naar adem. Ze was echt in het diepst van haar ziel geraakt. ‘Verkeerde mosselen, hoe haalt ze het in haar hoofd. Ze hoeft toch niet zo hoog van de toren te blazen?’

‘Hoe reageerde je?’ vroeg ik. Ondanks alles schoot de visboer in de lach.

‘Ik kon niets zeggen, maar mijn man was gelukkig ook in de zaak. Hij vroeg waaraan mevrouw had gemerkt dat de mosselen niet goed waren. Ze zei Meneer! Normaal gaat een mossel open als je op zijn schelp tikt! Maar deze niet, geen van allen, ze doen het geen van allen!

Mijn man keek die mevrouw aan en zei heel serieus: Mevrouw,ik was er al bang voor; ze zeiden het al bij de veiling. Er is een ploegje dwarse mosselen bij. Ze hadden me al gewaarschuwd: als dat maar goed gaat… Nou dat is dus niet goedgedaan. Kom mosselen, naar achter met jullie! Ik zal jullie eens leren!  En terwijl mijn man naar achter liep seinde hij naar mij dat ik geld moest teruggeven. Ik hoorde hem in de keuken foeteren op de mosselen. Kunnen jullie wel, die mevrouw zo op stang jagen…Foei toch!!

Ik heb mevrouw haar geld teruggegeven voor de hele zak. Terwijl ze waarschijnlijk de helft gewoon lekker heeft opgegeten. Stom mens, kale kak! Ze bedankte me niet eens en liep zo de winkel uit.’

De visboer keek me aan en kalmeerde een beetje toen ze mij zag lachen. We liepen samen een rondje door het park tot ze de humor van het gebeuren wel inzag.

‘Ik ga terug naar de zaak’ zei ze, ‘kom zo even in de winkel, dan krijg je een haring van me….een gehoorzame!’

Coiffure

‘Goedemorgen!’ Ik werd vrolijk begroet. Er kwam een ouder echtpaar aan, zij keurig gekapt, met een mooie winterjas aan en een witte bontmuts op haar hoofd. Als ze wat vriendelijker zou kijken zou het een ware schoonheid zijn. Hij zag er iets minder keurig uit, maar veel aardiger. ‘Gaat het weer een beetje met haar?’ vroeg hij me, knikkend naar één van mijn twee honden. Ik begreep niet wat hij bedoelde en lachte maar een beetje stompzinnig terug. Zijn vrouw bracht direct helderheid en snerpte: ‘Nee Karel, je bent in de war, dit zijn niet de honden die we gisteren zagen. Die waren immers zo prachtig gekapt!’ Ze keek haar man pinnig aan. Ze vond hem op dat moment duidelijk de stomste Karel die er bestond. Ze duwde driftig een haarlok terug onder haar bonte hoofddeksel. En keek naar mij, naar mijn zelf geknipte piekerige hoofd, mijn oude jas en afgetrapte laarzen.

Haar afkeuring hing als een vlijmscherp mes in de lucht. Het was duidelijk dat ik die morgen wel iets meer aandacht aan mezelf had mogen besteden.

Ik incasseerde haar blikken, keek naar mijn dartele beesten en peinsde over wat mevrouw bedoeld kon hebben. En toen begreep ik het. Ze hadden gisteren waarschijnlijk de twee honden van de trimster gezien. Haar honden, van hetzelfde ras als de mijne zijn altijd tot in de puntjes verzorgd. Fantastisch geknipt en goed geföhnd, ze is een echte prof. Daar stak ik maar schraal bij af met mijn amateuristische manier van scheren. Alhoewel ik zelf nog altijd vind dat mijn honden er goed verzorgd uitzien. Ik haalde mijn schouders daarom maar op. Eén van mijn honden kwam naar me toe en drukte zijn pikzwarte natte neus in mijn handpalm alsof hij wilde vragen of ik ondanks zijn amateuristische kapsel nog wel van hem hield. Ik keek naar zijn verwarde krullen vol met zand, naar zijn lieve ogen en voelde een diepe genegenheid voor mijn hond. Ik aaide hem zachtjes over zijn neus.

Ik wilde doorlopen, de vrouw ook. Zij trok haar man met zich mee. Die voelde zich een beetje ongemakkelijk had ik de indruk. In een onbewaakt moment onttrok hij zich even aan haar ijzeren greep. Hij keek om en woelde met een kwajongensachtige glimlach woest door zijn haar. Alles in de war.

Een daad van stil protest, een dappere man, die Karel.

Ik voelde een innig medelijden met hem.

Schoonmoeder

Ik ontmoette een dame die ik al eerder had ontmoet met haar mooie bruine hond. Ze had nu een tweede hond bij zich, een klein speels beestje, dat onder de modder zat. ‘He, wat leuk, een logé?’ vroeg ik haar. ‘Ja,’ bromde ze, ‘een logé.’ Zo aan de toon te horen was de logé niet erg welkom. ‘De hond van mijn schoonmoeder.’ Ahh… De kwestie werd meteen duidelijk. Als bevestiging kreeg ik prompt de hele tirade over me heen. ‘Stom beest, hij plast in de keuken, hij is niet opgevoed. Ik zou hem nooit in huis hebben gehaald maar mijn man heeft aangeboden om op hem te passen omdat zijn moeder zo nodig op vakantie moest. Maar wie moet alles doen? Echt niet mijn man hoor! Die zit hele dagen op kantoor! Ik dus! En dat mens maar lekker in de zon zitten.’ Ze werd bozer en bozer. Ik keek eens naar het onfortuinlijke dier dat de status van onwelkome gast opgelegd had gekregen.

Het hondje leed daar ogenschijnlijk niet onder. Het rende vrolijk rondjes om ons heen, mijn honden achter zich aan voerend. ‘Ik vind hem wel geinig,’ zei ik. Fout! Ik kreeg een vernietigende blik. Om het weer goed te maken vroeg ik belangstellend hoe lang de logeerpartij nog zou gaan duren. ‘Nog drie maanden. Ze maakt een wereldreis. Ze is nu in Canada en ze gaat nog verder naar Australië en Nieuw-Zeeland.’ ‘Nou, dat is een ondernemende schoonmoeder!’ riep ik. Weer fout. Het zat me niet mee vandaag. Ik deed een laatste poging de dame iets positiefs mee te geven. ‘Wel heel lief van u om zolang voor hem te zorgen.’ Ik vond het wel een glorieuze opmerking. Maar het stemde haar niet milder. Ze reageerde: ‘Ja en dat terwijl zij onze erfenis er doorheen jaagt!’

Hier kon ik niet tegenop. Zoveel negativiteit kon ik niet hebben op een heerlijke boswandeling. Ik riep mijn honden bij me en zei goedendag. Mijn éne hond maakte zich direct los van het spel en schudde zich eens even lekker uit. Toen we achter een dikke boom waren beland en niemand me meer kon zien volgde ik zijn voorbeeld.

Ik schudde dat nare mens van me af.

Mannen voor later

Mijn vriendin en ik hadden afgesproken om met de honden een lange wandeling te maken. We praatten over haar moeder die sinds kort alleen in het leven stond nu haar vader was gestorven. En we hadden het over het belang van vriendschap. We maakten een plan om later, als we oud, stram en alleen zouden zijn, met een paar vriendinnen een heel groot huis te kopen en daar onze ouwe dag te slijten. We droomden er een jongeling bij die voor ons zou gaan koken, klusjes zou doen en ons overal naartoe zou rijden als we ergens heen wilden. Juist op dat moment kwamen we in het bos bij een gigantisch huis. ‘Precies wat we nodig hebben,’ zei mijn vriendin. ‘Goed in de verf, echt schitterend. Welke kamer wil jij?’ ‘Ik neem die linker, met die ruitjes, dan mag jij die andere op de hoek, dan heb je ook nog een soort waranda voor jezelf. En kijk, in dat huisje ernaast stoppen we de jongeling. Daarboven kunnen denk ik nog wel vier anderen wonen. En daar in het midden maken we de woonkamer met een grote keuken.’ Om het te verduidelijken wees ik alles aan met de grootse gebaren die horen bij zo’n fantastisch idee.

Mijn vriendin en ik waren zo in de ban van het huis en onze toekomst dat we niet hadden gemerkt dat er twee oudere heren aan kwamen lopen. ‘Dames, wat staan jullie te wijzen naar dat huis?’ vroeg één van hen. We keken in twee rimpelige, vrolijke gezichten. De wind blies ons alle ideeën tegemoet. ‘Daar gaan we later wonen,’ zei ik. ‘Als we oud zijn, over honderd jaar. Met vriendinnen en een jongeling.’ De twee mannen schoten in de lach. ‘Maar dat huis is niet te koop,’ probeerde de éne ertegenin te brengen. ‘Natuurlijk wel,’ zei mijn vriendin. ‘Alles is te koop.’ De mannen vielen even stil. ‘Maar dat kunnen jullie vast niet betalen.’ Dat was de volgende poging om ons plan te torpederen. ‘U heeft geen idee,’ zeiden wij op onze beurt. De man met een foeilelijke oranje muts van een bekend worstenmerk koos voor een frontale aanval. ‘Waarom die jongeling? Waarom gaan jullie daar niet met ons wonen?’ Wij waren voor een ogenblik uit het veld geslagen door deze opmerking. ‘Oké,’ zei ik en ik wees naar de rechter man en mijn vriendin, ‘jij gaat met haar en ik ga met jou wonen. Ik vind je wel vrolijke ogen hebben, lekker sprankelend.’ De mannen waren verbijsterd, zeker toen mijn vriendin zei: ‘maar het duurt nog wel even, want onze mannen leven nog.’

Om ons triomfantelijk gevoel te houden moesten we er snel een eind aan maken, voor de mannen met een weerwoord zouden komen. ‘Heren,’ zei ik, ‘we laten jullie wel weten wanneer we jullie nodig hebben. Prettige wandeling verder!’

Mijn vriendin voegde er nog aan toe: ‘Denk eraan jongens, nog een paar jaar volhouden dus! Muts goed over de oren en jas stevig dicht!’

Napoleon

Diep in het bos, tussen omgevallen bomen en modderige plassen hoorden we een kwade stem schallen. ‘Kom, Napoleon, kom!’ Een grote man kwam onze kant oplopen. Hij liep met een bonkige pas, steeds achterom kijkend of zijn hond wel volgde. Dat deed Napoleon niet. Want Napoleon rook, plaste, rook nog eens, liep een paar pasjes en bakende zijn terrein wederom zorgvuldig af. De grote man werd erg ongeduldig en riep heel hard: ‘Napo-o-o-leon!!! Kom! NU!!’ Hij stampvoette, gilde nog harder, maar de rimpelige hond ging volstrekt zijn eigen gang. De man werd bozer en bozer.

Mijn echtgenoot en ik zagen het schouwspel met medelijden aan. ‘U moet wat vriendelijker zijn voor uw hond,’ opperde mijn eega in al zijn wijsheid. ‘Zo zou ik ook niet komen.’ De grote man keek ons woest aan.

‘Napoleon!!’ riep hij, helemaal rood aangelopen. ‘O, ik word gek van dat beest. Hij heeft ook helemaal geen hersens, die zijn in het nest achtergebleven, stomme hond!’ Hij beende weg en liet de hond de hond.

‘Het gaat niet goed met die meneer,’ zei mijn man. ‘Wat denk je dat er met hem is? Zou hij zijn geld zijn kwijtgeraakt op de beurs? Of is vannacht zijn gloednieuwe auto bekrast?’ Dit was één van onze hobby’s tijdens de wandeling met de honden. Verhalen bedenken bij de mensen die we tegenkwamen. Argeloze wandelaars leidden in onze fantasie een groots en meeslepend leven, klunzige mannen beleefden bloedstollende avonturen.

We dachten na over de baas van Napoleon. Ik vermoedde dat hij was ontslagen. ‘Ik denk dat hij heeft gefraudeerd om zijn hypotheek te kunnen betalen. Zijn baas, die hem toch al niet mocht, hield hem extra in de gaten en op een dag heeft hij zichzelf overschat, teveel geld achterover gedrukt en is hij gepakt. En ontslagen.’

We waren het geheel eens en vervolgden tevreden onze wandeling.

De volgende dag liep ik weer in het hetzelfde bos. En wie kwam ik tegen? Napoleon, met baas. Deze keer leek hij iets milder gestemd. ‘Gaat het weer een beetje tussen jullie?’ vroeg ik hem.

De grote man keek me verbaasd aan. ‘Wat aardig dat u dat vraagt. Ja, het gaat wel weer. We zijn in therapie.’ Ik keek naar de hond en vroeg me af of dat niet een beetje overdreven was.

De man vervolgde : ‘Ik hoop zo dat we eruit komen. Want ik hou zoveel van haar!’

‘Vreemd,’ zei ik, ‘ik dacht dat Napoleon een mannetje was.’

Andere boeken van Margriet Bordes

Kijken met woorden

Poëzie voor kinderen. Kleurrijk geïllustreerd. Vanaf acht tot en met tachtig jaar.

Het zijn gedichten waarover door kinderen en ouders goed nagedacht moet worden.

Als meisje nog met vlechtjes

Gedichten voor volwassenen.

Het sprookje van een zachte dood.

Een ontroerend verhaal over euthanasie, gevolgd door een glashelder betoog over dit complexe en emotionele onderwerp.

Deze boeken zijn te verkrijgen bij Uitgeverij de Tuin der Vriendschap via de site: www.tuindervriendschap.nl.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *